thema's: stad en land | ecologie | water | vernieuwing in het agrarisch bedrijf | recreatie | groene diensten |

concept-plan voor de

Polder van Biesland

Inleiding

gegevens Polder van Biesland

relevante literatuur

Ten oosten van Delft, tot aan Zoetermeer, strekt zich een grote, groene buitenkamer uit. De wanden van die kamer zijn, tot beklemming van zowel boer als stedeling, de laatste vijf jaar snel naar elkaar toegekropen. Door stads- en dorpsuitbreidingen, door een grote glastuinbouwlocatie, en - volgens sommigen - zelfs door bosaanplant. In die groene buitenkamer, niet groter dan 1,4 bij 8 kilometer, is de samenhang van Polder van Biesland en de Bieslandse Bovenpolder veruit de grootste eenheid van openheid.

Tegelijkertijd wordt er van de zijde van overheidsinstanties en adviescommissies een bommentapijt gelegd van beleidsnota's, studies en rapporten, die voor dit gebiedje allemaal van betekenis zijn. De effecten van de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening komen er nu rondom het gebied met hun volle gewicht tot uitvoering, maar recentere bedenksels, zoals de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening, de Vierde waterhuishouding, Waterbeheer in de 21e eeuw, Natuur voor de mensen, de toekomst van de landbouw (cie Wijffels) en het Structuurschema Groene Ruimte-2, zullen in deze geprangde situatie hun invloed doen gelden. Daardoor heen spelen dan nog plannen, die op lager schaalniveau (gemeenten, waterschap, provincie) worden uitgebroed en die soms sporen met het beleid van provincie en rijk, maar niet altijd ... Het onderstaande concept-plan voor de Polder van Biesland haakt op verschillende punten van al dat papieren beleid in en wil daarmee laten zien dat ook voor de verre toekomst die groene buitenkamer meer is dan een uitloopgebied voor stedelingen of -eventueel - een reservegebied voor stadsuitbreidingen dat toevallig nog groen is omdat er nog niet gebouwd wordt.

Kaartje van de droogmaking in de Bieslandsche polder, 1783, en de polder van Biesland in Delfland (rechts, 1850). Vergelijk het aandeel van de steden met dat van 2002 (volgende kaartje)!.

Ontwikkelingen in het recente verleden

Voor de herinrichting van het resterende landelijke gebiedje tussen Den Haag, Delft en Zoetermeer is in de jaren '80 een plan gemaakt in het kader van de Randstadgroenstructuur, een project met plannen voor diverse delen van de Randstad met het doel om te voorzien in voldoende recreatiegebied en bos. Uitvoering van deze plannen was in handen van de Landinrichtingsdienst, later Dienst Landelijk Gebied geheten. Bij heel wat projecten van de Randstadgroenstructuur is dan ook het landinrichtingsinstrumentarium ingezet, aanvankelijk ook voor het gebied Biesland en Balij (1990). Toen al spoedig bleek dat het instrument 'landinrichting' in deze bijzondere situatie niet veel toevoegde, is de landinrichtingscommissie opgeheven (1993).

Bij de nadere uitwerking van de plannen voor de Polder van Biesland en de Noordpolder van Delfgauw, waar al gedeelten van het jaren-80 plan waren gerealiseerd, ontstond discussie met diverse vertegenwoordigers van m.n. de Delftse natuur- en vogelbescherming. Het belangrijkste discussiepunt was dat de oorspronkelijke taakstelling voor het realiseren van oppervlakte bos, mede gelet op het versnelde tempo waarmee de stadsranden (VINEX) oprukten en de openheid bedreigden, niet meer verstandig was, en dat andere typen natuur in die situatie meer voor de hand liggen en aantrekkelijker zouden zijn. Er kwamen toen (2000) enigszins aangepaste voorstellen uit de bus van DLG, maar die hadden voor de overgebleven agrariër in de Polder van Biesland én voor de Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft het bezwaar dat ecologische en hydrologische kansen gemist werden (hoger gelegen gronden zouden aan de bedrijfsvoering worden onttrokken, lager gelegen juist niet(!)) en dat onvoldoende werd ingespeeld op mogelijkheden om de agrariër een vernieuwende rol in plan en uitvoering te geven. Die visie op natuur en landschap, functioneren van stadsrandgebieden én verbrede agrarische bedrijfsvoering had na de totstandkoming van het plan voor de Bieslandse Bovenpolder (35 ha) o.i. een weg gewezen die beter aansloot bij de recente visievorming op het gebied van landschap, stad en land, water, landbouw, natuur en recreatie. Na de reconstructiewet voor Midden-Delfland, die in de 70-er jaren tot stand kwam om de stedelijke agglomeraties van Den Haag en Rotterdam gescheiden te houden, doet zich in de streek opnieuw een (laatste?) kans voor het laatste restje landelijk gebied ecologisch en economisch robuuster te maken.

Een stukje van de Nieuwe kaart van Nederland en het overzicht uit het Structuurschema Groene Ruimte-2 over natuur om de stad.

Aanpak en bouwstenen voor het plan

Versterking van de ecologische structuur

De Polder van Biesland vormt een schakel tussen het gebied van de Delftse Hout en de Bieslandse Bovenpolder aan de ene kant en het Dobbeplas-Balijgebied aan de oostkant. De structuren van het bosachtige type sluiten nu al aan; de niet altijd even gevarieerde bossen van de Polder van Biesland in peilgebied III en het noorden van peilgebied II leggen een gevarieerde verbinding tussen deze terreinen. Maar wat vochtige tot moerasachtige biotopen betreft zijn bescheiden, maar daarom niet minder belangrijke aanpassingen in de Polder van Biesland nodig. In de Bieslandse Bovenpolder zijn biotopen als biezenvelden, terrasoevers, moerasbos en slikken aangelegd die een zwakke relatie hebben met het krekengebiedje aan de noordkant van de Noordpolder. Door op uitgekiende plaatsen verwante biotopen aan te leggen wordt de ecologische structuur effectief versterkt.

In een graslandgebied, waar voor de overgangen tussen maaiveld en sloot maar heel weinig ruimte wordt gebruikt (een 'digitale' morfologie) is die structuur zwakker dan menigeen denkt. Door het ontbreken van voldoende ruimte van zulke overgangszones, ontbreekt het nagenoeg aan ondiepe en zeer natte milieus, waar bijvoorbeeld oever- en moerasvegetaties zich kunnen ontwikkelen. Het zijn deze vegetaties die van onschatbaar belang zijn voor de waternatuur en waterkwaliteit, voor voedsel-, dekkings- en migratiemogelijkheden van amfibieën en kleine zoogdieren, voor de typische vogels van deze milieus als karekieten, rietgors, roerdomp en ralachtigen, en als oriëntatiepunten voor vliegende insecten.

Aanduiding van de Polder van Biesland, omliggende gebieden en de ecologische structuur.

Aanzet voor een plan

Bij de vernieuwingen proberen we de volgende uitgangspunten recht te doen:
  1. Groen: Langs de hoofdwatergangen worden de oevers geherprofileerd, waar nodig met onderwaterschoeiingen. Langs deze oevers ontstaan over grote lengte opgaande oeverbegroeiingen, die tevens een einde maken aan de oeverafkalvingen langs deze watergangen.
  2. Rood: Deze interessante oevers zijn tevens een mooie begeleiding van een recreatieve route, die de stedeling indringend in contact brengt met het veehouderijbedrijf en de natuur van dit cultuurlandschap. Het is een aantrekkelijker wandeling dan die over het Virulypad (die ook Delftse Hout en Dobbeplas met elkaar verbindt maar dan voor fietser en brommers) en een alternatief voor de wandeling door de Noordpolder (Nadere discussie is nodig om te bezien of deze route ook in het voorjaar opengesteld kan worden). Deze route is tevens een belangrijke schakel in de wandelmogelijkheden tussen Delft, Pijnacker, Nootdorp en Zoetermeer in het algemeen.
  3. Geel: Langs de randen van de droogmakerij - daarbij ook gebruik makend van stroken grond die in handen van de staat zijn (berm van het Virulypad) - wordt een mozaïek moerasjes en enkele moerasbosjes aangelegd. Deze strook zorgt voor een adequate ecologische verbinding tussen Bieslandse Bovenpolder, Noordpolder en het Dobbeplasgebied. Een biezenveld met een zuiverings- én een natuurfunctie bij de inlaat aan de Noordkade maakt deel uit van dit systeem.
  4. Blauw: Aan de zuidoostkant van het gebied wordt een terrein van ca 4 ha, het laagste deel van de polder, "aan de natuur teruggegeven" door de drainage te verstoppen. Deze plek is vanuit de ecologische structuur gezien strategisch gelegen tussen Dobbeplas en Noordpolder en biedt ruime voedselgelegenheid aan watervogels en steltlopers.
    Een alternatief is om van dit gebied een bassin te maken voor seizoensberging. Dit is een drastischer ingreep, omdat het gepaard gaat met ontgraving, omkading en bemaling. Als experiment voor waterbeheer (1e prioriteit: vasthouden) met natuur ('s winters watervogels, 's zomers fouragerende weidevogels) is het niettemin toch de moeite van het uitzoeken waard.
  5. Donkerblauw: In aanvulling op andere maatregelen die de waterfauna ten goede komen worden op plaatsen met weinig stroming diepe putten in sloten gegraven.

Schetsplan, ruimtelijk.

Waterbeheer

In aanvulling op de ruimtelijke kant van de watermaatregelen bevat het plan het volgende:

  1. Om de ontwikkeling van oevervegetaties te bevorderen wordt in het voorjaar een peil ingesteld dat lager is dan het winterpeil. Dit is van belang voor het verjongen van de oevervegetatie (ref.: proefschrift John Lenssen) en daarmee voor de vitaliteit van oevervegetaties. Op zijn beurt ondersteunt het de ruimtelijke maatregelen aan de oevers en het tegengaan van oeverafkalving.
  2. Om het gevaar van verdroging van de graslanden en verslechtering van de fourageermogelijkheden voor weidevogels te vermijden wordt dit peilregime alleen na natte winters ingesteld.
  3. In het peilbeheer in het algemeen wordt een ruime schommeling (40 cm) geïntroduceerd, aan de ene kant om de versterking van de oevers te ondersteunen, aan de andere kant om functies als berging en vertraagde afvoer van water naar de boezem te realiseren.
  4. Droogmakerijen zijn de laagste plekken in het landschap en dus geschikt voor noodberging. Zeer tijdelijke noodberging (zeg 5 dagen) in de Polder van Biesland verdraagt zich redelijk met de agrarische bedrijfsvoering, ook al omdat er in de polder zijging optreedt en de deklaag redelijk draineert, waardoor na inundatie van de lagere delen het grasland weer snel droog komt te liggen. De droogmakerij biedt gelegenheid tot het bergen onder aanvaardbare condities voor de veehouderij ruimte voor 50.000 tot 80.000 m3, d.i. ca 5% van de behoefte aan noodberging voor het gehele Delflandse gebied (zie ABCDelfland).
  5. Het peilbesluit dat nu bij het hoogheemraadschap in voorbereiding is, hoeft NIET in verlaging van winter- en zomerpeil te voorzien. De zeer beperkte bodemdaling in de droogmakerij geeft daartoe geen aanleiding.

    Deze benadering geeft op ruime schaal invulling aan het concept van de "groene diensten" uit SGR-2.

    Natuur op en rond het erf

    In "Natuur op en rond het erf" zijn tal van mogelijkheden opgesomd om de boerennatuur op en rond het erf terug te brengen. In deze schets zijn deze mogelijkheden nog niet nader onderzocht. Het gaat o.a. om

  6. nestgelegenheid voor vogels, vleermuizen en bijvoorbeeld kleine zoogdieren in stallen en onder sheds,
  7. erfbeplanting in de vorm van houtwallen, boomgaard en/of tuin,
  8. houtstapels en takkenwallen die - in plaats van prikkeldraad - tevens als erf- en perceelafscheiding dienst kunnen doen, en
  9. overhoekjes.

    Daarnaast kan nog worden gekeken of milieumaatregelen op de boerderij, zoals het afvoeren van spoelwater, gecombineerd kan worden met natuurwinst.

    Ontwikkeling van botanisch waardevol grasland

    Het ecologisch boeren en beperkingen die dat oplegt aan bemesting van de graslanden biedt nieuwe kansen voor de ontwikkeling van de grazige vegetaties. Door verder nog bij het gebruik van landbouwmachines de grasmat te ontzien kan worden voorkomen dat woekerende storingsplanten om zich heen grijpen.


Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft | 31 maart 2002 - laatste wijziging 1-9-2003 | ind@datadelft.com